
Wat is zweefvliegen?
Een zweefvlieger kan in de lucht blijven dankzij warme, opstijgende lucht: "thermiek". In tegenstelling tot wat sommige mensen denken, hebben zweefvliegtuigen niet per se wind nodig om te kunnen vliegen. Ze vliegen ook - en net zo goed! - wanneer het windstil is. Als je in de bergen vliegt maak je juist wel gebruik van wind, je gaat dan in de stijgwind vliegen die langs de berg omhoog komt. Op de meeste plekken in Noord-West Europa ben je vooral afhankelijk van thermiek.
De start en vlucht
Een speciale lier of een (motor)sleep-vliegtuig brengt je naar voldoende hoogte, dat is minimaal 300 meter maar vaak veel hoger. Daarna zweeft je vliegtuig heel langzaam naar beneden. Maar dat wil je natuurlijk niet, want je wil zo lang mogelijk in de lucht blijven. Dus als zweefvlieger ga je gelijk op zoek naar thermiekbellen.

Plekken waar warme lucht loslaat van het aardoppervlak zoals belletjes in een colaglas. Als je rondjes gaat vliegen in die bellen van opstijgende lucht, gaat je vliegtuig weer omhoog! Met voldoende thermiek, kom je met gemak veel hoger dan de paar honderd meter waarop je begon, 1 á 2 km hoogte is geen uitzondering. Als je zo hoog zit kan je wel uren in de lucht blijven!
De landing
Als de thermiek op is of wanneer de volgende vlieger aan de beurt is, zweef je rustig terug naar het aardoppervlak. Tijdens de zweefvliegopleiding leer je de vlucht steeds zo te plannen, dat je altijd nog veilig het vliegveld kan bereiken om te landen. Na de landing wordt je door de mensen op de grond geholpen om het vliegtuig weer terug naar de startplaats te brengen, zodat er snel weer een volgende vlucht mee kan worden gemaakt.